“1,35 miljoen spaarders betalen door nieuw voorstel straks geen belasting meer in box 3”

Dit was de kop van het artikel dat de Rijksoverheid op 6 september 2019 heeft gepubliceerd over de voorstellen van staatssecretaris Snel van Financiën voor aanpassing van de vermogensrendementsheffing. Hij geeft aan dat hij het onrechtvaardig vindt dat spaarders worden belast alsof een deel van hun vermogen uit beleggingen bestaat, ook als zij alleen spaargeld hebben. Het doel is om het nieuwe stelsel eerlijker te maken met een nieuw voorstel dat per 1 januari 2022 in zou moeten gaan.

Spaarders gaan volgens het nieuwe voorstel geen belasting meer betalen over hun vermogen tot circa 440.000 euro (of 880.000 met fiscaal partner). Op zich goed nieuws zou u denken, want geld op een spaarrekening levert ook niets op. Echter wordt in het artikel niet verteld dat beleggers hiervoor de rekening gaan betalen. Het belastingvoorstel leeft erg onder onze klanten, daarom schenken we in deze blog speciaal aandacht aan het onderwerp.

Hoe werkt de huidige vermogensrendementsheffing?

Er wordt op dit moment geen onderscheid gemaakt in de hoogte van de belasting tussen wie spaart en wie belegt. Bij een vermogen groter dan 30.360 euro (of 60.720 euro met fiscaal partner) wordt ervan uitgegaan dat een deel van dit geld is belegd en hier rendement mee wordt gemaakt. En wie rendement maakt, betaalt hier belasting over. Er wordt uitgegaan van een gestaffeld tarief. Hoe groter uw vermogen, hoe hoger uw rendement wordt ingeschat waarover u vervolgens 30% belasting betaalt.

Wat houdt het nieuwe voorstel in?

Spaarders worden vrijgesteld van belasting tot 440.000 euro (of 880.000 met fiscaal partner). Dit betekent dat 1,35 miljoen mensen in Nederland met het nieuwe voorstel geen belasting meer betalen. Maar, de nieuwe belastingmaatregel is budgetneutraal. Dit betekent dat het geld ergens anders vandaan moet komen en beleggers uiteindelijk de rekening gaan betalen voor spaarders. Sinds de publicatie van het voorstel is er daarom veel kritiek geuit op de plannen.

Beleggers worden vrijgesteld van belasting tot een vermogen van 30.846 euro en gaan hierboven belasting betalen over hun rendement. Tot dusver lijkt dit nieuwe voorstel realistischer en eerlijker dan het huidige. Echter wordt ervan uitgegaan dat beleggers allemaal hetzelfde fictieve rendement maken van 5,33% per jaar, waarover vervolgens 33% belasting moet worden betaald.

Voor offensieve beleggers lijkt deze maatregel redelijk, omdat het verwacht jaarlijks rendement hoger is dan 5,33%. Maar dit geldt niet voor defensieve beleggers met beleggingen in met name obligaties (en andere laag renderende beleggingen). Doordat beleggingen hoger worden belast en spaargelden lager, worden vermogende Nederlanders fiscaal gestimuleerd om een keuze te maken tussen:

  1.   Beleggen in hoog risico (aandelen) om het hoge fictieve rendement van 5,33% goed te maken.
  2.   Laag risico (sparen) met een beperkte belasting, waarbij gegarandeerd wordt ingeteerd op het vermogen.

Beleggen in een neutraal of matig defensief beleggingsprofiel, wat voor veel beleggers het meest passend is, wordt daarmee helaas fiscaal ontmoedigd. Obligaties vormen het defensieve hart van de portefeuille omdat ze zorgen voor demping in de portefeuille bij tussentijdse beursdalingen.

Waarom gaat de Belastingdienst uit van een fictief rendement?

De Vereniging Financieel Planners (VFFP) heeft al gepleit voor een belastingstelsel op basis van werkelijk gerealiseerd rendement. Zolang met deze fictieve rendementen wordt gerekend (deze zijn in 2001 geïntroduceerd met het boxen-stelsel) zal er volgens de VFFP altijd onrechtvaardig worden belast.

Hierover wordt in het artikel gezegd: “Het nieuwe stelsel is zo ontworpen dat de voordelen van het huidige systeem behouden blijven, zoals de vooraf ingevulde aangifte.” Het is administratief voor de Belastingdienst veel makkelijker om deze standaard regels te hanteren dan om het systeem zo aan te passen dat beleggers allemaal hun daadwerkelijk gerealiseerde rendementen kunnen invullen.

En nu?

De komende tijd wordt het voorstel uitgewerkt in een wetsvoorstel, dat voor de zomer van 2020 aan de Tweede Kamer wordt gestuurd. Het wetsvoorstel wordt dan voor het einde van 2020 in de Tweede en Eerste Kamer behandeld. De Belastingdienst moet vervolgens voldoende tijd hebben om deze grote structuurwijziging door te voeren, waarbij het streven is dat het nieuwe systeem vanaf 1 januari 2022 in gaat.

Het zal dus nog even duren voordat het voorstel, met grotere of kleinere aanpassingen, wordt omgezet in nieuwe wetgeving. Vooralsnog adviseren we u nog geen actie te ondernemen. We blijven de ontwikkelingen in elk geval nauwlettend voor u volgen. U kunt te zijner tijd uw fiscalist raadplegen om de consequenties in kaart te brengen, zodra de definitieve regeling duidelijk wordt. We denken indien gewenst natuurlijk graag met u mee wat de effecten voor u als belegger zijn en begeleiden u graag bij het maken van verstandige keuzes.

Heeft u nog vragen of opmerkingen? Neem dan contact met ons op.